Hoe kunnen we je helpen?

Vereniging en de corona’s: hoe zit het met de controle hierop?

Vereniging en de corona’s: hoe zit het met de controle hierop?


Geen anderhalve metermaatregel, gewoon weer met een groep naar het restaurant en zelfs de mogelijkheid om een festival te bezoeken. De maatregelen waaronder we de afgelopen anderhalf jaar allemaal gebukt gingen, zijn – gelukkig – op hun retour. Er is er wel één voor in de plaats gekomen. De coronapas zorgt her en der voor commotie, maar ook vertwijfeling. Want zijn verenigingen nu wel of niet verplicht om deze te controleren?

Laten we beginnen met melden waar de coronapas wél verplicht is. Dit is het geval bij onder meer de horeca en in de cultuursector. Hieronder vallen restaurants, cafés, bars, musea, festivals, evenementen en sportwedstrijden.

Besloten plaatsen vallen in regel niet onder de plekken waar men een coronabewijs moet laten zien. Daarmee doelen we op een plaats die uitsluitend toegankelijk is voor de mensen die daar doorgaans gebruik van maken. Bedrijfspanden en kantoren, maar ook verenigingslocaties zijn voorbeelden van besloten plaatsen.

Dat betekent niet dat verenigingen helemaal ontkomen aan het uitvoeren van controles. Een voetbalclub is tenslotte ook een vereniging – en een kantine lijkt wel erg op een niet-besloten plaats. Is het al dan niet vrijwillige personeel van zo’n vereniging dan verplicht om bezoekers te checken?

Het toetsen van voorwaarden

Het korte antwoord hierop: dat moet de vereniging zelf bepalen. Dit gebeurt aan de hand van een aantal punten.

Ga daarbij allereerst na of er sprake is van een besloten plaats. Check vervolgens of de inzet van een coronatoegangsbewijs een legitiem doel dient. Bepaal eveneens of een check wegens besmettingsrisico’s noodzakelijk is én ga na of er minder vergaande alternatieven aanwezig zijn, zoals polsbandjes.

Is er sprake van een niet-besloten plaats, dient de inzet van een toegangsbewijs een legitiem doel, is een check noodzakelijk óf zijn er geen alternatieven aanwezig? Dan kunt u het beste een coronatoegangsbewijs hanteren.

Bron: Rijksoverheid

Wat is het UBO-register en waar dient het voor?

Wat is het UBO-register en waar dient het voor?

Bent u de eigenaar van een stichting of een vereniging? Dan bent u verplicht om uzelf aan te melden als UBO: Ultimate Beneficial Owner. Dit zijn namelijk twee rechtsvormen die niet ontkomen aan deze plicht. Klein probleem: relatief veel mensen weten niet precies wat een UBO inhoudt. Daarom volgt hieronder wat duiding.

Een UBO is in wezen niet veel meer dan de eigenaar van een organisatie. Dat kan het geval zijn als deze persoon meer dan een kwart van de aandelen bezit – in het geval van een bv. Of meer dan 25 procent aan stemrecht binnen een stichting of vereniging.

Een organisatie mag zelf bepalen wie precies de UBO’s zijn. Bovenstaande omschrijvingen zijn dan ook geen officiële richtlijnen.

UBO’s inschrijven

Het bepalen van de UBO’s is echter wel belangrijk. Het is namelijk verplicht om deze personen als zodoende aan te melden bij de Kamer van Koophandel (KvK). Tenminste – als u voor een stichting of vereniging werkt. Andere rechtsvormen die hun UBO’s moeten aanmelden, zijn onder meer coöperaties, rederijen en naamloze vennootschappen.

Dat inschrijven is tamelijk eenvoudig en kan gewoon online. Dit doet u via de online UBO-opgave van de Kamer van Koophandel.

De situatie is anders wanneer u een stichting of vereniging gaat starten. Dat moet namelijk in persoon bij de KvK zelf. U kunt tijdens het officiële aanmelden van uw nieuwe bedrijf direct de UBO’s opgeven.

UBO-register

Aangemelde UBO’s verschijnen in een zogenoemd UBO-register. Het doel daarvan is het voorkomen van onder andere het financieren van terrorisme en witwaspraktijken. Het geeft méér inzicht in wie er in welke organisatie de touwtjes in handen heeft.

Vrijwilligers van kleine verenigingen krijgen het binnenkort druk – en dit is de reden

Vrijwilligers van kleine verenigingen krijgen het binnenkort druk – en dit is de reden

Op 1 juli van dit kalenderjaar introduceerde de overheid de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (WBTR). Een wet bedoeld om bestuursfuncties binnen stichtingen en verenigingen transparanter te maken – én een wet die er in de praktijk voor zorgt dat vrijwilligers aan de bak kunnen.

De WBTR houdt grofweg in dat alle stichtingen en verenigingen in de toekomst moeten voldoen aan zogeheten zorgvuldig bestuur. Dat betekent dat bestuursleden van zo’n stichting of vereniging voortaan moeten bewijzen dat ze zorgvuldig en naar behoren hebben gehandeld. De bedoeling daarvan is dat zaken als uitbestedingen aan bevriende aannemers of, in het ergste geval, geld in eigen zak steken tot het verleden behoren.

Problemen

Een nobel initiatief, dus. Of niet? Want in de praktijk blijkt de WBTR voor nogal wat problemen te zorgen.

Dat komt doordat er niet zoiets bestaan als één stichting of vereniging. Een overkoepelende onderwijsorganisatie kan een stichting of vereniging zijn, maar de plaatselijke korfbalvereniging natuurlijk ook. En een bestuur van zo’n vereniging bestaat doorgaans uit vrijwilligers die er ineens een heel takenpakket bij krijgen.

Werkzaamheden

Ze mogen als eerst uitzoeken wat er precies moet gebeuren om aan de nieuwe eisen te voldoen. Dat is niet gemakkelijk, want onervaren bestuurders raken al gauw verstrikt in een web van juridische termen en stappenplannen. Bijkomend probleem is dat dit kleine stichtingen of verenigingen behoorlijk wat geld kan kosten. In sommige gevallen zijn er namelijk notariële aktes nodig.

Andere, nieuwe werkzaamheden zijn onder meer het maken van notulen van vergaderingen, het opslaan van deze notulen en het eventueel inschakelen van een accountant voor een controle van de kasstromen. Kortom: een heel gepuzzel én een flink takenpakket voor vrijwilligers van kleine verenigingen.

Op een rijtje: de gevolgen van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen

Toezicht rechtspersonen - Op een rijtje: de gevolgen van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen - Brixxs

Eigenaar of lid van een stichting of vereniging? Dan is de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, de WBTR, u ongetwijfeld niet ontgaan. Deze gaat namelijk gepaard met nogal wat verandering op het gebied van – niet geheel verrassend – het bestuur. Welke leest u hieronder.

Het belangrijkste gevolg van de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen is de gelijktrekking met de vennootschappen en andere rechtspersonen. Die hebben namelijk allen te maken met regels die moeten voorkomen dat er zelfverrijking, wanbestuur of andere onwenselijkheden voorkomen.

Stichtingen en verenigingen hadden dit soort regels niet – tót de WBTR in het leven werd geroepen. Deze geeft stichtingen en verenigingen sinds 1 juli 2021 de verplichting tot het invoeren van een toezichthoudend orgaan. Dat kan een raad van commissarissen, maar ook een zogenoemd one tier board zijn. Deze moet toezien op het gedrag van bestuurders.

Meer bestuurdersaansprakelijkheid

Een tweede gevolg is er op het terrein van bestuurdersaansprakelijkheid. Dat komt er grofweg op neer dat de bestuurders van een stichting of vereniging sinds 1 juli 2021 aansprakelijk zijn en derhalve vennootschapsbelasting moeten betalen én een jaarrekening moeten kunnen overleggen.

Is dat laatste niet het geval? Dan kan er sprake zijn van onbehoorlijk bestuur. De bestuurder in kwestie wordt in dat geval aansprakelijk gesteld.

Uitzonderingen zijn bestuurders en commissarissen van niet-commerciële stichtingen en verenigingen. Ze kunnen weliswaar aansprakelijk worden gesteld, maar hebben geen zogenoemde bewijslast. Die is in handen van de curator.

Reacties

De invoering van de WBTR vallen niet bij alle stichtingen en verenigingen in goede aarde. EenVandaag deed al melding van verschillende organisaties bij wie de invoering rauw op hun dak viel. Sommige instanties geven aan te zijn overvallen door de invoering: ze stellen niet in staat te zijn om aan het bijbehorende kostenplaatje te voldoen.

Het ministerie van Justitie van Veiligheid heeft daarop laten weten dat de WBTR voor de eerste vijf jaar géén dwingend karakter heeft.

Wat is tegenstrijdig belang en wat gaat er op 1 juli gebeuren om dit te bestrijden?

Wat is tegenstrijdig belang en wat gaat er op 1 juli gebeuren om dit te bestrijden?

Bestuurders van stichtingen en verenigingen kunnen te maken krijgen met een situatie waarbij er sprake is van tegenstrijdig belang. De nieuwe Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, de Wbtr, treedt op 1 juli in werking om dit te voorkomen.

Maar eerst – wat is tegenstrijdig belang precies?

Tegenstrijdig belang binnen een stichting of vereniging verwijst naar een situatie waarbij een bestuurder dubbel profijt heeft van zijn of haar functie binnen deze organisatie. Het kan bijvoorbeeld gaan om een bestuurder die namens de stichting zaken doet met een bedrijf met winstoogmerk, waarvoor hij of zij ook werkt.

Een onwenselijke situatie, vanzelfsprekend. Op die manier kan een bestuurder zichzelf tenslotte verrijken en alles over een boeg genaamd organisatiekosten gooien. Tot en met 1 juli 2021, althans. Dan treedt namelijk de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in werking.

Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Wbtr)

De Wet bestuur en toezicht rechtspersonen zorgt ervoor dat stichtingen en verenigingen zich aan dezelfde regels moeten houden als coöperaties. Dat houdt concreet in dat een bestuurder van een stichting of vereniging zich niet langer mag bezighouden met besluiten waarbij hij of zij persoonlijk belang heeft. Tenminste – niet zolang het in strijd is met diens rechtspersoon.

Gebeurt dat toch? Dan kunnen er complete besluiten namens de stichting nietig worden verklaard.

Dwingend recht

De Wbtr is een voorbeeld van zogenoemd dwingend recht. Dat betekent dat alle andere regelingen omtrent tegenstrijdig belang, al zijn ze nog zo prominent opgenomen in de statuten van een stichting of vereniging, komen te vervallen.

Het is daarom aan te raden om die statuten ook zo spoedig mogelijk te wijzigen, zodat deze in lijn is met de nieuwe wetgeving.

Bestuurdersaansprakelijkheid: wat is het en wat verandert er?

Bestuurdersaansprakelijkheid: wat is het en wat verandert er?

Bestuurders van een stichting of vereniging staat een behoorlijke wijziging te wachten op het gebied van aansprakelijkheid. Wat dat precies inhoudt en wat er exact gaat veranderen? Dat vertellen we u hieronder.

Financiële misverstanden zijn – helaas – van alle tijden. Ze komen voor in bv’s, nv’s, eenmanszaken en inderdaad – binnen in stichtingen en verenigingen.

Hoewel dat natuurlijk lang niet altijd het geval hoeft te zijn, is het mogelijk dat dit voortkomt uit wanbestuur, misbruik van machtsposities en/of een onjuist, economisch beheer. Om die reden trekt het kabinet vanaf 1 juli de teugels aan. Dat doen ze door middel van de nieuwe Wet bestuur en toezicht rechtspersonen, de WBTR. En daarmee verandert er nogal wat voor bestuurders van stichtingen en verenigingen.

Wet bestuur en toezicht verenigingen

De wet houdt grofweg in dat stichtingen en verenigingen diverse procedures en verantwoordelijkheden voortaan beter moeten vastleggen en naleven. Dat houdt in wezen in dat er een toezichthoudend orgaan moet komen. Een Raad van Commissarissen (RvC), bijvoorbeeld. Of een zogenoemd one-tier board.

Dit is een verplichting die vennootschappen en corporaties al iets langer hadden. Stichtingen en verenigingen ontsprongen tot dusver de dans. Wat dat betreft, komt er met de komst van de WBTR meer gelijkheid tussen de verschillende rechtsvormen.

Meer aansprakelijkheid

Dat is echter niet het enige dat er vanaf 1 juli verandert. Zo worden bestuurders van stichtingen en verenigingen ook belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Ze krijgen eveneens een jaarrekeningsverplichting, wat concreet inhoudt dat ze een administratie of jaarrekening moeten kunnen overleggen. Gebeurt dat niet? Dan is er sprake van wanbestuur – met alle gevolgen van dien.

Let wel: niet alle stichtingen en verenigingen komen voor de WBTR in aanmerking. Niet-commerciële varianten zijn vooral gevrijwaard. Voor hen verandert er op 1 juli eigenlijk helemaal niet zo gek veel.

Méér aansprakelijkheid voor stichtingen en verenigingen: wat houdt het in?

Méér aansprakelijkheid voor stichtingen en verenigingen: wat houdt het in?

Maak kennis met de WBTR: de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen. Een nieuwe wet die moet zorgen voor een zogenoemde hoofdzakelijke aansprakelijkheid voor rechtspersonen. Daaronder vallen dus ook stichtingen en verenigingen. U leest er hieronder meer over.

We willen graag anders melden, maar helaas zijn ook stichtingen en verenigingen niet gevrijwaard van financiële misstanden. Wanbestuur, misbruik van (macht)posities, onjuist financieel beheer: het zijn allemaal voorbeelden van problemen die binnen alle rechtspersonen voorkomen.

WBTR

Te vaak voorkomen, zo vindt de overheid. Daarom gaat op 1 juli 2021 de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen in. Die vereist dat onder andere stichtingen en verenigingen procedures en verantwoordelijkheden beter vastleggen en voorschrijven.

Dat houdt concreet in dat stichtingen en verenigingen een toezichthoudend orgaan moeten krijgen. Dat kan een raad van commissarissen zijn, maar ook een zogenoemde one-tier board. Vennootschappen en corporaties hadden deze plicht al wat langer, maar stichtingen en verenigingen nog niet. Wat dat betreft, zijn de rechtspersonen hiermee meer gelijkgetrokken.

Meer aansprakelijkheid

‘Dat kan allemaal wel zo zijn, maar dat zorgt nog niet voor meer aansprakelijkheid, toch?’

Klopt – en daarom zijn er vanaf 1 juli ook nog een aantal aanvullende plichten voor iedereen die zichzelf een bestuurder van een stichting of een commissaris van een vereniging mag noemen. Ze zijn vanaf die dag belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting én hebben een jaarrekeningplicht. Dat houdt in dat ze een administratie en een jaarrekening moeten kunnen overleggen. Slagen ze daar niet in? Dan worden ze als bestuurders aansprakelijk gesteld en beschuldigd van onbehoorlijk bestuur.

Overigens geldt niet niet voor alle stichtingen en verenigingen, maar uitsluitend voor commerciële varianten. Niet-commerciële stichtingen en verenigingen zijn daarmee gevrijwaard: voor hen verandert er vanaf 1 juli op het gebied van aansprakelijkheid weinig.

Gemeentes willen méér geld voor sportverenigingen

Gemeentes willen méér geld voor sportverenigingen

De ene sport kende meer versoepelingen dan de ander, maar over het algemeen lijkt het ons veilig om te stellen dat verenigingen ontzettend hard zijn getroffen door de gevolgen van de coronapandemie. Dat is ook verschillende steden niet ontgaan. Den Haag is één van de gemeentes die daarom hebben aangeklopt bij de Tweede Kamer.

Het is niet zo dat het kabinet helemaal geen budget beschikbaar heeft gesteld voor noodlijdende sportverenigingen. Zo werd eerder bekend dat er een bedrag van 240 miljoen euro is uitgetrokken om dergelijke verenigingen uit de brand te helpen. Echter circuleert er een motie om dit bedrag deels aan de verschillende sportbonden te geven. En daar zijn diverse gemeentes het niet mee eens.

Bezwaar

Den Haag heeft bijvoorbeeld bezwaar aangetekend. Zij stellen dat sportbonden andere regelingen hebben en dat dit bedrag in z’n geheel naar de verenigingen zelf moet gaan. Volgens onder meer de gemeente Den Haag zijn namelijk de verenigingen die het momenteel het zwaarst hebben. Veel sporten liggen al lange tijd stil, terwijl – in sommige gevallen – vaste lasten als de huur van de accommodatie wél gewoon doorloopt.

Daarnaast waarschuwt Den Haag voor de gevolgen wanneer sportverenigingen onverhoopt en zonder steun omvallen. Ze stellen dat sport juist nu belangrijk is, vooral vanwege de (mentale) gezondheid van de deelnemers. En wanneer de steun niet naar de verenigingen gaat, horen die scenario’s helaas bij de mogelijkheden. Den Haag stelt dat veel verenigingen het nu nog wel even volhouden, maar dat de 240 miljoen euro daar echt in z’n geheel voor nodig is.

Motie

De motie, die overigens werd ingediend door de VVD, is desondanks aangenomen door de Kamer. De wethouders van de vijf grote steden hebben hun zorgen inmiddels besproken met de wethouder.

Bron: Omroep West

Anders dan gebruikelijk: de kascontrole voor stichtingen en verenigingen

Anders dan gebruikelijk: de kascontrole voor stichtingen en verenigingen

Minder collega’s op het kantoor, meer thuiswerken en vergaderingen via Microsoft Teams of Zoom. Het zijn zomaar wat voorbeelden van elementen die ook stichtingen en verenigingen in coronatijd niet vreemd zijn. Desondanks is er één element dat er voor hen in het bijzonder anders uitziet – en dat is de kascontrole.
Het belangrijkste verschil met het pre-coronatijdperk is dat de kascontroles nu tijdelijk op afstand plaatsvinden. Een nieuw fenomeen en een behoorlijk ander tafereel dan de gebruikelijke check in aanwezigheid van onder meer de penningmeester.

Pdf’s als alternatieve kascontrole

En dus zijn sommige stichtingen en verenigingen nog altijd op zoek naar alternatieve methodes om de kascontrole mee in te richten. Een voorbeeld daarvan is het doorsturen van de daarvoor benodigde pdf’s. Alle banken bieden stichtingen en verenigingen de mogelijkheid om hun bankmutaties in één helder document te downloaden – dat kan, indien gewenst, ook per kwartaal of per maand. Dit overzicht kan dan vervolgens naar de penningmeester, de kascommissie en andere bestuursleden worden verstuurd, zodat de kascontrole op afstand kan worden afgerond.

Online boekhoudprogramma’s

Een bezwaar tegen dit fenomeen is simpelweg het idee dat belangrijke, financiële informatie zomaar wordt rondgestuurd. Hoewel de kans klein is dat er iets misgaat, wekt dit her en der het gevoel van onveiligheid op. In dat geval kan een online boekhoudprogramma uitkomst bieden.
Het verschil met een pdf van de bank is dat dit soort programma’s toegankelijk zijn via een beveiligde omgeving. Verenigingen en stichtingen moeten bijvoorbeeld eerst inloggen met een persoonlijke gebruikersnaam- en wachtwoordcombinatie – voor ze bij belangrijke documentatie kunnen komen.
Online boekhoudprogramma’s zijn zodoende een populair alternatief tijdens de coronacrisis – en dat niet alleen. De kans is aanwezig dat veel stichtingen en verenigingen deze manier van werken ook na de pandemie aanhouden. Het kost tenslotte even tijd om zo’n systeem goed op te zetten, maar wanneer het dan staat scheelt het behoorlijk wat tijd.

Wist u dit al over de jaarrekeningen voor stichtingen?

Wist u dit al over de jaarrekeningen voor stichtingen?

Jaarrekeningen zijn voor bedrijven een verplicht nummer en daar ontkomen ook stichtingen en verenigingen niet aan. Feit is wel dat er in hun geval een aantal zaken zijn die hun jaarrekening flink vereenvoudigen. We vertellen u er hieronder meer over.

Bij de term jaarrekening wordt veelal gedacht aan gecompliceerde, lijvige documenten. Dat is de doorsnee jaarrekening in wezen ook, maar dan gaat het wel om een variant van een groot, winstgevend bedrijf. Voor verenigingen en stichtingen steekt een jaarrekening doorgaans anders in elkaar. De meeste stichtingen vallen namelijk onder de zogenoemde eenvoudige regelgeving.

In stand houden

Een jaarrekening moet worden opgesteld wanneer een onderneming in stand wordt gehouden. Het in stand houden van een onderneming vindt plaats wanneer er sprake is van commerciële activiteiten en wanneer er dus concurrentie wordt gevoerd met andere organisaties. Een stichting of vereniging voert doorgaans geen concurrentie. Daardoor vallen ze onder de eenvoudige regelgeving voor zover het jaarrekeningen betreft.

Eenvoudige regelgeving

Deze eenvoudige regelgeving zorgt ervoor dat er voor bedrijven die géén onderneming in stand houden andere regels gelden. De eisen voor de jaarrekening worden heel globaal gehouden. Er moet wel een jaarrekening komen, maar die bestaat in een uiterst basale vorm. Deze moet een balans, een overzicht van de baten en lasten én een toelichting daarop bevatten. Daarnaast moeten alle bestuursleden van de stichting of vereniging in kwestie er hun krabbel onder zetten. In het geval van een stichting geldt dat laatste ook voor leden van toezichthoudende instanties.

Stichtingen die wél concurreren

Er zijn echter ook stichtingen en verenigingen die wél concurreren en dus een onderneming in stand houden. Denk bijvoorbeeld aan een stichting die ook producten verkoopt – om maar wat te noemen. Maar zelfs dan kan er sprake zijn van een eenvoudige regelgeving. Het balanstotaal van deze stichting mag in dat geval niet hoger zijn dan 4,4 miljoen. De netto omzet mag bovendien niet boven de 8,8 miljoen uitkomen en het aantal medewerkers van de onderneming moet lager dan vijftig zijn.